borg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • borg
enkelvoud meervoud
naamwoord borg borgen
verkleinwoord (borgje) (borgjes)

Zelfstandig naamwoord

borg m

  1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
    Hij was bereid als borg op te treden.
  2. gecastreerd mannetjesvarken
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
bergen

borg

  1. enkelvoud verleden tijd van bergen
    Ik borg.
    Jij borg.
    Hij, zij, het borg.
vervoeging van
borgen

borg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borgen
    Ik borg.
  2. gebiedende wijs van borgen
    Borg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borgen
    Borg je?