bond

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bond bonden
verkleinwoord bondje bondjes

Zelfstandig naamwoord

bond m [2]

  1. samenwerkingsverband van mensen of landen
    Syrië is voor Poetin ook een testcase om te kijken hoe ver hij kan gaan. Parallellen die worden getrokken met het falen van de Volkerenbond in Ethiopië en het testen van Hitlers nieuwe arsenaal in de Spaanse burgeroorlog vanaf 1936 zijn niet helemaal uit de lucht gegrepen. [3]
  2. vereniging
    FNV Kiem, de bond voor kleine zelfstandigen in de creatieve sector, houdt per 1 juli op te bestaan. Een meerderheid van de huidige 28.000 leden stapt toch over naar de fusiebond FNV, die in 2015 ontstond.[4]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord bond bonds
verkleinwoord bondje bondjes

Zelfstandig naamwoord

bond m

  1. (financieel) (economie) obligatie
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
binden

bond

  1. enkelvoud verleden tijd van binden
    Ik bond.
    Jij bond.
    Hij, zij, het bond.


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Marcel Kurpershoek NRC 23 februari 2016
  4. NRC 13 juni 2016