stop
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stop
| [1] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | stop | stoppen |
| verkleinwoord | stopje | stopjes |
| [2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | stop | stops |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
stop m
- zekering die elektrische stroom begrenst doordat zij smelt.
- Door de kortsluiting sloegen alle stoppen door.
- halte
- Bij de volgende stop moet ik echt naar de wc.
Frase
- een stop zetten op --- een voorwerp of maatregel waarmee aan een proces een halt toegeroepen wordt.
Werkwoord
| vervoeging van |
| stoppen |
stop
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoppen
- Ik stop.
- gebiedende wijs van stoppen
- Stop!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoppen
- Stop je?
Engels
Uitspraak
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to stop |
| he/she/it | stops |
| verleden tijd | stopped |
| voltooid deelwoord |
stopped |
| onvoltooid deelwoord |
stopping |
| gebiedende wijs | stop |
Werkwoord
stop