keer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • keer

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord keer keren
verkleinwoord keertje keertjes

keer m

  1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    Die fout maak je elke keer.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • geen enkele keer
  • voor de eerste keer
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
keren

keer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keren
    Ik keer.
  2. gebiedende wijs van keren
    Keer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keren
    Keer je?


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
keer
gekeer
volledig

Werkwoord

keer

  1. keren
  2. voorkomen
    «Die water hou die seekoei se liggaamstemperatuur koel en keer dat die vel uitdroog.»
    Het water houdt de lichaamstemperatuur van het nijlpaard laag en voorkomt dat zijn huid uitdroogt.