keer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- keer
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | keer | keren |
| verkleinwoord | keertje | keertjes |
keer m
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
Werkwoord
| vervoeging van |
| keren |
keer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keren
- Ik keer.
- gebiedende wijs van keren
- Keer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keren
- Keer je?
Afrikaans
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
|
| keer |
gekeer |
|
| volledig | ||
Werkwoord
keer
- keren
- voorkomen
- «Die water hou die seekoei se liggaamstemperatuur koel en keer dat die vel uitdroog.»
- Het water houdt de lichaamstemperatuur van het nijlpaard laag en voorkomt dat zijn huid uitdroogt.
- «Die water hou die seekoei se liggaamstemperatuur koel en keer dat die vel uitdroog.»
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.