schorsing

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schor·sing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schorsing schorsingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schorsing v

  1. een voorlopig of tijdelijk verbod om een functie uit te voeren
    Door een schorsing moest hij het duel missen.
  2. tijdelijke onderbreking (van een vergadering of rechtszitting)
    Na een korte schorsing vergaderden we verder.