ophouden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ophouden |
hield op |
opgehouden |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
ophouden
- (wederkerend) zich bezighouden met
- (ergatief) ~ met, ~ te: een activiteit beëindigen
- Hij hield op met spreken.
- (overgankelijk) (ongebruikelijk) omhoog houden
- Ze hield het bordje met 8 op.
- (overgankelijk) trachten te geven
- (overgankelijk) openhouden
- (overgankelijk) tegenhouden
- (overgankelijk) beletten verder te gaan
- (wederkerend) zich ~: zijn