slot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slot sloten
verkleinwoord slotje slotjes

Zelfstandig naamwoord

slot o

  1. mechanisme waarmee in combinatie met een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
  2. (bouwkunde) een middeleeuwse versterkte woning, ook wel kasteel of burcht genoemd
  3. einde
Synoniemen
Overerving en ontlening
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl