zuster

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zus·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: suster
Oudnederlands: swestar
Germaans: *swestēr
Indo-Europees: *swésōr
  • Verwant in Germaans:
West: Nederduits: Süster, (Oudsaksisch: swestar), Duits: Schwester (Oudhoogduits: swestar), Fries: suster (Oudfries: swester, suster, sester, sister), Engels: sister (Oudengels: sweostor)
Noord: Zweeds: syster, Deens/Noors: søster, Nynorsk: syster, IJslands/Faeröers: systir (Oudnoords: systir)
Oost: Gotisch: swistar
  • Andere Indo-Europese talen:
Romaans: Latijn: soror, Catalaans: sor, Frans: sœur, Italiaans: sorella, Roemeens/Aroemeens: soră
Slavisch: Russisch/Oekraïens/Bulgaars/Macedonisch/Servo-Kroatisch: сестра (sestra), Wit-Russisch: сястра (sjastra), Sloveens/Tsjechisch/Slowaaks: sestra, Kasjoebisch: sostra, Pools: siostra, Nedersorbisch: sotša, Oppersorbisch: sotra
Keltisch: Iers: siúr, Welsh: chwaer, Bretons: c'hoar, Cornisch: hwoer
Baltisch: Litouws: sesuõ
Andere: (Oudgrieks: ἔορ (eor)), Sanskriet: स्वसृ (svásṛ), Armeens: քույր (k’uyr), Perzisch: خواهر (ḵẖẉāhar), خوهر(ḵẖẉahar), Avestisch: xᵛaŋhar-, Sogdisch: xwār, Pasjtoe: خور (xowr), Oost-Tochaars: ṣar, West-Tochaars: ṣer
enkelvoud meervoud
naamwoord zuster zusters
verkleinwoord zustertje zustertjes

Zelfstandig naamwoord

zuster v

  1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders, zus
  2. verpleegster in een ziekenhuis
  3. non, kloosterlinge
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie