Naar inhoud springen

zuster

Uit WikiWoordenboek
  • zus·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord zuster zusters
verkleinwoord zustertje zustertjes

dezusterv

  1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders, zus
     Johannes biedt zijn zuster een kijkje op de verkoop van tabak, kaneel en koffie, zijde en zout.[2]
     Dit is haar eerste dag in Amsterdam en haar man en zijn zuster hebben haar nog geen enkele vraag gesteld, al geeft dit twistgesprek over geld haar de gelegenheid om haar bruidegom heimelijk te bestuderen.[2]
  2. verpleegster in een ziekenhuis
  3. (religie) non, kloosterlinge
  4. vrouw die tot hetzelfde kerkgenootschap behoort
     'Waaraan is onze zuster Maren Brandt gestorven?' Nella ziet haar dode schoonzuster voor zich, de bebloede lakens, de pasgeboren Thea, de verstrengelde ledematen van Otto en Maren, hun geheimen diep in Marens levende lichaam begraven.[2]
  5. vrouwelijke kameraad in een politieke strijd
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]

zuster

  1. (familie) zuster, zus; vrouwelijk kind van dezelfde ouders
  2. zuster; verpleegster in een ziekenhuis
  3. (religie) zuster; non, kloosterlinge
  1. breur
enkelvoud meervoud
naamwoord zuster zusters
verkleinwoord

zuster

  1. (familie) zuster, zus; vrouwelijk kind van dezelfde ouders
  2. zuster; verpleegster in een ziekenhuis
  3. (religie) zuster; non, kloosterlinge
  1. zus
  2. -
  3. -
  1. breur
  2. broeder
  3. pater

zuster

  1. (familie) zuster, zus; vrouwelijk kind van dezelfde ouders
  2. zuster; verpleegster in een ziekenhuis
  3. (religie) zuster; non, kloosterlinge

zuster

  1. zuster; verpleegster in een ziekenhuis