zus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zus zussen
verkleinwoord zusje zusjes

Zelfstandig naamwoord

zus v

  1. (familie) een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht [2]
    • Ik heb twee zussen en een broer. 
     Mijn zus had me twee kleine blokjes waterverf meegegeven, indigo blauw en cadmium geel.[3]
     Ze reageerde altijd verontwaardigd ‘Waarom ik altijd? Mijn zusje kan ook ontsporen hoor!’ Maar zolang alles goed en gezond bleef aan beide kanten van de oceaan kon ik met een gerust hart doorlopen.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bijwoord van hoedanigheid: zo’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [4] [5]

Bijwoord

zus [6] [7]

  1. zo, op zulke wijze [8]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen