kameraad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·me·raad
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘makker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kameraad kameraden
verkleinwoord kameraadje kameraadjes

Zelfstandig naamwoord

kameraad m

  1. vriend; makker; maat; (in overdrachtelijke zin): in de oorlog en nadien in het communisme ook gebruikt als aanduiding voor gelijkgestemde, i.c. lid van de NSB, vaak afgekort tot Kam., of de (communistische) Partij. Tegenwoordig nog wel sarcastisch gebruikt ter aanduiding van aanhanger van een totalitair regime.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen