ziel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geest’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ziel zielen
verkleinwoord zieltje zieltjes

Zelfstandig naamwoord

ziel v/m

  1. het wezen van het niet-stoffelijke van de mens
    • Hij is misschien wel overleden, maar zijn ziel zal altijd voortleven. 
    • Ik heb aan het begin van mijn carrière de fout gemaakt dat ik mijn ziel in mijn werk legde. Dat moet je niet doen, want je krijgt hem niet terug, niet in dezelfde staat tenminste. Ik neem mijn ziel met me mee de zaal uit, maar hij voelt steeds minder eigen, eerder als een vergeten rekwisiet dat ik uit beleefdheid meeneem voordat de lichten doven.[2] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Harstad, Johan Max, Mischa & Het Tet-offensief 2017 ISBN 9789057598494 pagina 15