zielzorger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziel·zor·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zielzorger zielzorgers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zielzorger m [1]

  1. geestelijke die zich bezighoudt met het zielenheil van gelovigen
    • Graham groeide uit tot een icoon en leider van een rijk en machtig evangelisatie-imperium. Hij werd vertrouweling en zielzorger van presidenten en hoogwaardigheidsbekleders en een kruisvaarder die met oproepen tot bekering over de aardbol trok. [2] 
    • Axel Kullik is zielzorger, speciaal voor de politie. „Als de agenten ervaringen met zwaar geweld krijgen, kan dat voor psychische problemen zorgen. Daarom ben ik hier”, zegt de dominee uit Oldenburg. [3] 
    • ‘Ik ben een gulzige en chaotische lezer, met een voorkeur voor essays en poëzie. Er liggen zes boeken: Frits van der Meer met Augustinus, de zielzorger: echt een meesterwerk. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Dick van Rietschoten 21-02-18 Moderne kruisvaarder Billy Graham (99) overleden
  3. De Telegraaf ROB SAVELBERG 07 jul. 2017 Protestmars Hamburg gestaakt na rellen
  4. de Volkskrant Wilma de Rek30 november 2018 Wat móét je hebben gelezen? De Volkskrant Boekenraad stelt zich voor
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be