anima

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: anime


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ani·ma
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord anima anima's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

anima v

  1. levenskracht opgevat als spiritueel, bovennatuurlijk verschijnsel
    • Van zijn vlees is geen spiervezel overgebleven en nog ben ik niet bereid voor zoetekoek [sic!] te nemen dat een anima als de zijne zou uitdoven. [2]
  2. (psychologie) (Jung op Wikipedia (nl)) beeld van een ideale vrouw in het hoofd van een man
    • Ik ben er namelijk niet zeker van dat het prominente motief van de vrouw louter verbonden is met de archetypische hunkering naar de ideale levenspartner, naar de anima. [3]
Synoniemen
Antoniemen
  • [2] vrouwelijke vorm van animus
Verwante begrippen

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Italiaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
anima anime

Zelfstandig naamwoord

anima v

  1. ziel


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
animar

anima

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van animar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van animar