Naar inhoud springen

zielig

Uit WikiWoordenboek
  • zie·lig
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen zieligzieligerzieligst
verbogen zieligezieligerezieligste
partitief zieligszieligers-

zielig

  1. compassie/medelijden oproepend
    • Zij maakte een zielige indruk. 
  2. (jongerentaal), (informeel) aanstellerig, belachelijk,  idioot bn 
    • Doe niet zo zielig, man! 
     De zesde is een garnaaltje dat er zielig bij hangt, alsof het niet mee mag doen met de rest.[2]
     Hartverscheurend snikkend zat hij op de grond aan de rand van een kaal groentebed, in elkaar gedoken als een zielig hoopje mens met zijn zakdoek voor zijn gezicht.[3]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. zielig op website: Etymologiebank.nl
  2. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  3. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be