zielig
Uiterlijk
- zie·lig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | zielig | zieliger | zieligst |
| verbogen | zielige | zieligere | zieligste |
| partitief | zieligs | zieligers | - |
zielig
- compassie/medelijden oproepend
- Zij maakte een zielige indruk.
- (jongerentaal), (informeel) aanstellerig, belachelijk, idioot bn
- Het woord zielig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zielig" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ zielig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
- ↑ Teuntje de Haan“Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij
, ISBN 9789021409375 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ig in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Jongerentaal in het Nederlands
- Informeel in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %