Naar inhoud springen

gemoed

Uit WikiWoordenboek
  • ge·moed
  • In de betekenis van ‘innerlijk’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • afgeleid van moed met het voorvoegsel ge- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gemoed gemoederen
verkleinwoord gemoedje gemoedjes

hetgemoedo [3] [4]

  1. (psychologie) inborst, gevoelsleven, stemming
    • Op je gemoed werken. 
    • De gemoederen waren weer wat bedaard. 
     Nadat hij was weggereden, kreeg Teresa weer een bezwaard gemoed bij de gedachte aan 'Harold, bist du es?' en door het geheim waarvan ze allebei wisten dat hij ervan uitging dat ze het niet verder zou vertellen.[5]
     Van turnen zou de beoefenaar een opgeruimd gemoed krijgen: 'Fris, vrij, vrolijk en vroom - dat is de rijkdom van de turner.[6]
96 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[7]