weten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kennis hebben, begrijpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • Verwant in Germaans:
Duits: wissen
Engels: wit
Oudhoogduits: wizzan
Gotisch: witan
  • Verwant in Romaans:
Latijn: videre
Italiaans: vedere
Spaans: ver
Frans: voir
  • Verwant in Grieks:
Grieks: εἴδω, οἶδα
  • Verwant in Slavisch:
Pools: widzieć
Russisch: видеть
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
weten
wist[2]
geweten[2]
onregelmatig volledig

Werkwoord

weten

  1. ergens kennis van hebben
    • Hoe kun je dat nou weten als die stof nog nooit behandeld is? 
  2. ~ te: erin slagen
    • Hij wist zijn vader zover te krijgen hem dat geld te geven. 
  3. te weten te komen: iets ontdekken
    • De spion probeerde te weten te komen waar de atoomwapens lagen. 
  4. beseffen
    • Als je dat maar weet! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wijten

weten

  1. meervoud verleden tijd van wijten
    • Wij weten. 
    • Jullie weten. 
    • Zij weten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. 2,0 2,1 Weten is van oorsprong zwak: wist komt van *weetde. Het voltooid deelwoord is sterk geworden, maar niet in bijvoorbeeld bewust.


Nedersaksisch

Werkwoord

weten

  1. weten


Veluws

Werkwoord

weten

  1. weten