wist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wist

Werkwoord

vervoeging van
weten

wist

  1. enkelvoud verleden tijd van weten
    • Ik wist. 
    • Jij wist. 
    • Hij, zij, het wist. 
vervoeging van
wissen

wist

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wissen
    • Jij wist. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wissen
    • Hij wist. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van wissen
    • Wist! 

Bijvoeglijk naamwoord

wist

  1. onverbogen vorm van de overtreffende trap van wis

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.