betweter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bet·we·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘die alles beter weet’ voor het eerst aangetroffen in 1600 [1]
  • Samenstelling van een verkorte vorm van beter en weter.
enkelvoud meervoud
naamwoord betweter betweters
verkleinwoord betwetertje betwetertjes

Zelfstandig naamwoord

betweter m

  1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
    • Hou toch op, je gedraagt je als een betweter. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen