vete

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ve·te
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘traditionele haat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord vete veten
vetes
verkleinwoord vetetje vetetjes

Zelfstandig naamwoord

vete v/m

  1. een langdurige twist
    • Er heerste een vete tussen de families van Romeo en Juliet. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
irse

vete

  1. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van irse
vervoeging van
vetar

vete

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van vetar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van vetar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van vetar


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ve·te

Zelfstandig naamwoord

vete g

  1. tarwe
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   vete     vetet     -     -  
genitief   vetes     vetets     -     -