bewust

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wust
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bekend, bedoeld’ voor het eerst aangetroffen in 1638 [1]
  • in 17e eeuw van Duits bewußt [2][3]
[1],[2] stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bewust bewuster (bewustst) *
verbogen bewuste bewustere (bewustste) *
partitief bewusts bewusters -
[3] stellend
onverbogen bewust
verbogen (alleen
predicaat)
[4] stellend
onverbogen bewust
verbogen bewuste

Bijvoeglijk naamwoord

bewust

  1. iets waarvan kennis is genomen, iets wat met nadenken gebeurt of juist niet gebeurt, opzettelijk, expres
    • Het was een bewuste keuze om niet eerst langs de receptie te gaan. 
  2. bewust van op de hoogte met iets, iets beseffend
    • De zich van het pas gebeurde ongeluk niet bewuste automobilisten konden maar net een kettingbotsing vermijden. 
  3. predicatief met oorzakelijk voorwerp: zich iets bewust zijn op de hoogte zijn met iets
    • Hij was zich dat niet bewust. 
  4. attributief eerdergenoemd, waarover eerder is gesproken
    • Gisteren is mijn mobiele telefoon gestolen. De bewuste diefstal vond plaats in een café. 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest bewust(e)" worden gebruikt.[4][5]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen