medeweten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·de·we·ten
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord medeweten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

medeweten o

  1. voorkennis, weten samen met iemand anders
    Ik heb deze brief met medeweten van mijn vrouw verstuurd.
    Zonder medeweten van mijn baas heb ik de arbeidsinspectie op de hoogte gesteld van de wantoestanden in het bedrijf.