roos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een roos.
[2] De dartpijl zit in de roos.
[3] Roos. (Klik op de foto voor een groter beeld.)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roos
enkelvoud meervoud
naamwoord roos rozen
verkleinwoord roosje roosjes

Zelfstandig naamwoord

roos v

  1. (plantkunde) bloem met doornen op de stengel
  2. kleine cirkelvormige middensectie van een schietschijf
    De roos is het middelpunt van een aantal concentrische cirkels met afwisselende kleur (bv. rood/wit).
  3. aandoening van de hoofdhuid die schilfers veroorzaakt
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

roos

  1. de kleur roze

Meer informatie