target

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tar·get
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord target targets
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

target m/v/o

  1. doel, streefwaarde
  2. (bedrijfskunde) grootte van de nagestreefde omzet van een bedrijf of deel daarvan
  3. (economie) waarde die een aandeel op de beurs volgens deskundigen op afzienbare termijn (enkele maanden tot een jaar) zal bereiken
  4. (natuurkunde) materiaal dat in een deeltjesversneller als doelwit dient voor de bundel versnelde deeltjes

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
target targets

Zelfstandig naamwoord

target

  1. roos, doelwit
vervoeging
onbepaalde wijs to target
he/she/it targets
verleden tijd targeted
voltooid
deelwoord
targeted
onvoltooid
deelwoord
targeting
gebiedende wijs target

Werkwoord

target

  1. als doelwit nemen