pijnloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pijn·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van pijn met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen pijnloos pijnlozer pijnloost
verbogen pijnloze pijnlozere pijnlooste
partitief pijnloos pijnlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

pijnloos

  1. zonder pijn
    • De dokter zei dat het een pijnloze ingreep zou worden, maar de patiënt gilde het uit van de pijn. 
     Een week van tevoren had ik veel hardgelopen en ik slaagde erin redelijk pijnloos mijn eerste marathon in 4 uur en 18 minuten uit te lopen.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be