kiespijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kies·pijn
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kiespijn kiespijnen
verkleinwoord kiespijntje kiespijntjes

Zelfstandig naamwoord

kiespijn v/m

  1. pijn in één of meerdere kiezen
    • Sinds gisteren heeft hij kiespijn. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iets/Iemand kunnen missen als kiespijn
Iets echt niet willen, of helemaal niet op iemand gesteld zijn.
  • Lachen als een boer met kiespijn/als een boer die kiespijn heeft
Geforceerd lachen om iets dat men eigenlijk helemaal niet leuk vindt, lachen met tegenzin.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie