kul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kul
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘flauwigheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1901 [1]
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘testikel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kul kullen
verkleinwoord kulletje kulletjes

Zelfstandig naamwoord

kul m

  1. (anatomie) (verouderd) teelbal
  2. onzin, voor-de-gek-houderij
    • Dat is toch kul! 
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
kullen

kul

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kullen
    • Ik kul. 
  2. gebiedende wijs van kullen
    • Kul! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kullen
    • Kul je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
kul
gekul
volledig

Werkwoord

kul

  1. bedriegen, voor de gek houden
    «Só is ons gekul, getuig Morné Steyn se pa in hof.[1]»
    Zó zijn we bedrogen, getuigde de vader van Morné Steyn voor de rechtbank.

Verwijzingen