kul

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kul
enkelvoud meervoud
naamwoord kul kullen
verkleinwoord kulletje kulletjes

Zelfstandig naamwoord

kul m

  1. (anatomie) (verouderd) teelbal
  2. onzin, voor-de-gek-houderij
    • Dat is toch kul! 
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
kullen

kul

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kullen
    • Ik kul. 
  2. gebiedende wijs van kullen
    • Kul! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kullen
    • Kul je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
81 % van de Vlamingen.


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
kul
gekul
volledig

Werkwoord

kul

  1. bedriegen, voor de gek houden
    «Só is ons gekul, getuig Morné Steyn se pa in hof.[1]»
    Zó zijn we bedrogen, getuigde de vader van Morné Steyn voor de rechtbank.

Verwijzingen