pariteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ri·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gelijkheid’ voor het eerst aangetroffen in 1669 [1]
  • Afgeleid van Grieks pares (gelijk aan) met het achtervoegsel -iteit
enkelvoud meervoud
naamwoord pariteit pariteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

pariteit v

  1. gelijkheid
  2. (wiskunde) de rest van een natuurlijk getal bij deling door twee
  3. (natuurkunde) het symmetriegedrag wanneer de coördinaten x,y,z geïnverteerd worden naar -x,-y,-z
    • Een pion heeft een negatieve pariteit. 
  4. (biologie) het aantal malen dat een vrouw or vrouwtjesdier nageslacht heeft voortgebracht
  5. (juridisch) gelijkgerechtigdheid
  6. (economie) de vaste waardeverhouding van een munteenheid ten opzichte van andere valuta
  7. (economie) overeenstemming van de koerswaarde van effecten met hun nominale waarde
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen