merk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • merk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord merk merken
verkleinwoord merkje merkjes

Zelfstandig naamwoord

merk o

  1. een kenteken aangebracht ter identificatie van iets, (merkteken, teken)
    Je kunt dat merkje er nu wel afhalen.
  2. (economie) een symbool of naam voor producten van een bepaalde producent of handelsonderneming
    Die computer is van een vrij onbekend merk.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
merken

merk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van merken
    Ik merk.
  2. gebiedende wijs van merken
    Merk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van merken
    Merk je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl