merken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mer·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van merk met het achtervoegsel -en ??
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
merken
merkte
gemerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

merken

  1. (inergatief) iets waarnemen of herkennen, gewaarworden
    Je kon merken dat de man het moeilijk had na het overlijden van zijn zoon.
  2. (overgankelijk) een merk aanbrengen op, markeren
Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

merken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord merk