teken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De viool- of g-sleutel die de tweede lijn (van onderaf) van de notenbalk markeert als de toon 'g'

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·ken
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teken tekens
(tekenen) *
verkleinwoord tekentje tekentjes

Zelfstandig naamwoord

teken o

  1. (semiotiek) symbool, signaal, aanduiding
    • Dat prachtige wegennet is een teken van aanzienlijke welvaart. 
  2. een afgesproken gebaar
    • Eindelijk kreeg hij het teken om van start te gaan. 
  3. (taalkunde), (muziek), (wiskunde) de genormeerde figuren van het alfabet, muziekschrift, cijfers, operatoren enz.
    • Een karakterset met allerlei tekens. 
Opmerkingen
  • Het meervoud 'tekenen' is archaïsch aan het worden en komt vooral nog bij betekenis 1. voor.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

teken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord teek
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
tekenen

teken

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tekenen
    • Ik teken. 
  2. gebiedende wijs van tekenen
    • Teken! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tekenen
    • Teken je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Middelnederlands

Zelfstandig naamwoord

teken o

  1. teken
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • te·ken
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud teken
o enkelvoud teke
meervoud tekne
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
tekne

Bijvoeglijk naamwoord

teken

  1. genomen
Schrijfwijzen