label

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord label labels
verkleinwoord labeltje labeltjes

Zelfstandig naamwoord

label o

  1. kaart met extra informatie, etiket
    Op het label in de trui kun je lezen wat de maat is en wat het wasvoorschrift is.
  2. cd- of grammofoonplatenmerk
    Phonogram is een bekend platenlabel.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
labelen

label

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van labelen
    Ik label.
  2. gebiedende wijs van labelen
    Label!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van labelen
    Label je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl