label

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·bel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘etiket’ voor het eerst aangetroffen in 1910 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord label labels
verkleinwoord labeltje labeltjes

Zelfstandig naamwoord

label o

  1. kaart met extra informatie, etiket
    • Op het label in de trui kun je lezen wat de maat is en wat het wasvoorschrift is. 
  2. cd- of grammofoonplatenmerk
    • Phonogram is een bekend platenlabel. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
labelen

label

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van labelen
    • Ik label. 
  2. gebiedende wijs van labelen
    • Label! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van labelen
    • Label je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen