juf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • juf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord juf juffen
verkleinwoord juffie
jufje
juffies
jufjes

Zelfstandig naamwoord

juf v

  1. (onderwijs), (informeel) lerares van een lagere school of peuterklas
    Dat mochten we niet van de juf.
    Kaspar kwam zuchtend uit de peuterklas en zei: we moesten weer zo hard werken van de juf!.
  2. jonge vrouw, meisje
    Ja, dat is een leuk juffie geworden.
    Regering van Suriname gaat niet door de knieën voor jufje Herfkens.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie


Ujir

Zelfstandig naamwoord

juf

  1. meer