merendeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·ren·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord merendeel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

merendeel o

  1. het grootste deel
    • Het merendeel van de analfabeten is vrouw. 
    • De aangeklaagde is voor het merendeel vrijgepleit. 
     Opmerkelijk was dat het merendeel van de mensen die ik op de trail ontmoette juist heel weinig geld had.[2]
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. merendeel op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be