maal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maal
enkelvoud meervoud
naamwoord maal malen
verkleinwoord maaltje maaltjes

Zelfstandig naamwoord

1 maal v (verouderd:) o

  1. (verouderd) tijdstip, tijd (vooral in samenstellingen en afleidingen)
  2. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    Dit was de tweede maal dat zijn pet werd afgeblazen door de wind.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

2 maal o

  1. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
    Elke avond stond er weer een heerlijk maal klaar.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

3 maal o

  1. (verouderd) merkteken, vlek[1]
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

4 maal m

  1. (verouderd) geërfde. markgenoot[2]

Zelfstandig naamwoord

5 maal v

  1. (verouderd) koe van anderhalf tot twee jaar, die nog niet heeft gekalfd[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

6 maal m

  1. (verouderd) zak, tas[4]
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
malen

maal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van malen
    Ik maal.
  2. gebiedende wijs van malen
    Maal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van malen
    Maal je?
Opmerkingen
  • zie malen voor meer afleidingen en samenstellingen waar ma(a)l in voorkomt
Anagrammen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal
Vertalingen