Naar inhoud springen

malen

Uit WikiWoordenboek
  • ma·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
malen
maalde
gemalen
zwak -d

gemengd

volledig

malen [2]

  1. overgankelijk tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven [3]
    • Ik heb verse koffie gemalen. 
  2. overgankelijk (voeding) (water) uitpompen met een molen of gemaal
  3. overgankelijk kauwen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
malen
maalde
gemaald
zwak -d volledig

malen

  1. onovergankelijk vervelende gedachten door het hoofd laten gaan, tobben [4] [5]
     Ik heb slecht geslapen, want de hele nacht bleef ik maar malen over de zinnen die Emil in dat gastenboek had geschreven en over de woorden waarmee hij zijn bericht had afgesloten: uit Joegoslavië.[6]
  2. (verouderd) schilderen [7] [8]

[1]

  • Niet malen om
Onverschillig tegenover iets staan, inclusief de eventuele kwalijke gevolgen ervan (≈ Ergens geen been in zien, Ergens geen graten in zien)

demalenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord maal
    • Een aantal malen keek hij om. 
     Op sommige auteurs kom ik meerdere malen terug, in de bedoeling hun opvattingen met elkaar in verband te brengen.[9]
     In°de periode tussen 1450 en 1668 kregen Amsterdam en de rest van Nederland tientallen malen te maken met de pest.[10]
  2. een hoeveelheid die het veelvoud is van het oorspronkelijk genoemde
     We hadden allebei een blikje bier meegenomen dat na de lange hete dag vele malen beter smaakte dan ooit in de kroeg.[11]
99 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[12]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
malen moel moelen gemalen
klasse 6  volledig   

malen

  1. (koren) fijnmalen
    • Sijn broot was gerstijn [...], dat darsch hi ende moel ook mede.