kader

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kader kaders
verkleinwoord kadertje kadertjes

Zelfstandig naamwoord

kader o

  1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
    • Die prent behoeft geen kader. 
  2. (figuurlijk): situationele context, raamwerk, verband, achtergrond
    • In het kader van de bezuinigingen wordt de uitgave met de helft verminderd. 
  3. (bedrijfskunde) (meervoud) leidinggevende medewerkers in een organisatie
    • De vakbond heeft meer kaders nodig. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kaderen

kader

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaderen
    • Ik kader. 
  2. gebiedende wijs van kaderen
    • Kader! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaderen
    • Kader je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen