kader

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·der
enkelvoud meervoud
naamwoord kader kaders
verkleinwoord kadertje kadertjes

Zelfstandig naamwoord

kader o

  1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
    Die prent behoeft geen kader.
  2. (figuurlijk): situationele context, raamwerk, verband
    In het kader van de bezuinigingen wordt de uitgave met de helft verminderd.
  3. (bedrijfskunde) (meervoud) geschoolde medewerkers in een organisatie
    De vakbond heeft meer kaders nodig.
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.