absentielijst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·sen·tie·lijst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord absentielijst absentielijsten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

absentielijst v/m [1]

  1. lijst met namen van hen die afwezig zijn (waardoor je ook kunt weten wie er wel aanwezig zijn)
    • Omdat de app is gekoppeld aan het onderwijssysteem van veel scholen, hoeven roosters, cijfers en absentielijsten niet meer zelf te worden ingevuld.[2] 
    • Onze mindere klassering ligt niet aan mij. Niet dat ik nu zo ontzettend goed ben, het is meer dat ik de afgelopen maanden, tot afgelopen zondag, vooral op de absentielijst stond. Tijdens de verbouwing moest ik elke weekend klussen en kon ik dus niet als een jonge hinde in de wei achter de bal aan huppelen. Ik heb het gemist.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf ALFRED MONTERIE 22 aug. 2014 Schoolagenda's als app
  3. de Telegraaf LEONIE BAKKER 9 mrt. 2012 Kampioenen