kluns

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kluns
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘sufferd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1949 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kluns klunzen
verkleinwoord klunsje klunsjes

Zelfstandig naamwoord

kluns m

  1. (scheldwoord) een onhandig persoon
  2. een gecastreerde ezelshengst
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
klunzen

kluns

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klunzen
    • Ik kluns. 
  2. gebiedende wijs van klunzen
    • Kluns! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klunzen
    • Kluns je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen