hecht
Uiterlijk
- hecht
- In de betekenis van ‘stevig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1750 [1]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | hecht | hechter | hechtst |
| verbogen | hechte | hechtere | hechtste |
| partitief | hechts | hechters | - |
hecht [2]
- innig verbonden, moeilijk van elkaar te scheiden
- De hechte verbinding die deze lijm verleent maakt het gebruik ervan erg aantrekkelijk.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hecht | hechten |
| verkleinwoord | hechtje | hechtjes |
- Het hecht ( of heft) in handen hebben ( of houden)
de baas zijn [8]
| vervoeging van |
|---|
| hechten |
hecht
- Het woord hecht staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "hecht" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[9] |
- ↑ "hecht" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ www.dbnl.org (Stoett-866)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %