stool

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Anglicaanse priester met een paarse stool.
Uitspraak
Woordafbreking
  • stool
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stool stolen
verkleinwoord stooltje stooltjes

Zelfstandig naamwoord

stool m

  1. (kleding) (religie) schouderband van priester om de hals gedragen bij het verrichten van bepaalde geestelijke handelingen
    • De albe is het witte linnen kleed van de priester waarover de stool en de kazuifel worden gedragen. [5]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

28 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
stool stools

Zelfstandig naamwoord

stool

  1. kruk
  2. stoelgang


Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord stool steule
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stool

  1. stoel; een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning


Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord stool steule
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stool

  1. stoel; een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning
Schrijfwijzen
Synoniemen

Meer informatie

Meer informatie


Twents

enkelvoud meervoud
naamwoord stool steule
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stool

  1. stoel; een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning

Meer informatie