kartel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • kar·tel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘aaneensluiting van producenten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kartel kartels
verkleinwoord karteltje karteltjes

Zelfstandig naamwoord

kártel m

  1. kerf, keep, inkeping
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kartelen

kartel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kartelen
    • Ik kartel. 
  2. gebiedende wijs van kartelen
    • Kartel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kartelen
    • Kartel je? 
Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord kartel kartels
verkleinwoord kartelletje kartelletjes

Zelfstandig naamwoord

kartél o

  1. (economie) verbond van producenten, bedoeld om de markt te beheersen
    • kartelland Nederland bloeit volop [2] 
  2. (politiek) (tijdelijk) verbond van politieke partijen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen