hakbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hak·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hakbaar hakbaarder hakbaarst
verbogen hakbare hakbaardere hakbaarste
partitief hakbaars hakbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

hakbaar

  1. (landbouw) (van kool) voldoende gegroeid om te oogsten
  2. (bosbouw) (van hout of bomen) zo volgroeid dat het geschikt om met een bijl te bewerken
    • Daarna volgden er beuken en eiken ,die hakbaar waren, wier bladeren reeds een herfs[t]tint hadden en die hunne zware takken uitspreidden, zijnde zich maar al te goed bewust hoe mooi zij waren en welk een kapitaal zij vertegenwoordigden. [2]

Gangbaarheid

Verwijzingen