haak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haak
enkelvoud meervoud
naamwoord haak haken
verkleinwoord haakje haakjes

Zelfstandig naamwoord

haak m

  1. een soort gebogen nagel, waaraan men, als deze in de muur bevestigd is, voorwerpen kan ophangen
  2. winkelhaak (3 mogelijkheden !)
  3. (biologie) haakvormig gebogen plantendeel
  4. elk van de tekens, rond of met hoeken, om woorden of getallen af te zonderen dus ( ) [ ]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
haken

haak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haken
    Ik haak.
  2. gebiedende wijs van haken
    Haak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haken
    Haak je?