afgrond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·grond
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘grondeloze diepte’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • uit het Middelnederlands [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord afgrond afgronden
verkleinwoord afgrondje afgrondjes

Zelfstandig naamwoord

afgrond m

  1. een grote steile diepte
    • Hoogtevrees is de angst in een afgrond te vallen, nietwaar? 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie