gebruiken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·brui·ken
Woordherkomst en -opbouw

Verwant in Germaans:

Nederlands: fruit, vrucht
Duits: brauchen, Frucht
  • Verwant in Romaans:
Latijn: fructus, frui

afgeleid van bruiken met het voorvoegsel ge- [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gebruiken
gebruikte
gebruikt
zwak -t volledig

Werkwoord

gebruiken

  1. overgankelijk zich bedienen van, toepassen
    • Piet gebruikte een ladder om op het dak te komen. 
  2. overgankelijk eten, nuttigen
    • Op Goede Vrijdag mochten wij alleen brood en water gebruiken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

gebruiken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gebruik
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl