gebruik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bruik
Woordherkomst en -opbouw
Proto-Indo-Europees: bʰrūg- (waar ook vrucht op teruggaat)
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: brauchen, Gebrauch
  • Andere Indo-Europese talen
Italisch Latijn: frui, "genieten"
enkelvoud meervoud
naamwoord gebruik gebruiken
verkleinwoord gebruikje gebruikjes

Zelfstandig naamwoord

gebruik o

  1. een standaard manier van doen
    Het schudden van de rechterhand is, in Nederland, het gebruik om een onbekende te begroeten.
  2. toepassen van iets
    Het gebruik van een woordenboek is aan te raden voor het controleren van de spelling.
Vaste voorzetsels
  • [2] gebruik maken van
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Verplicht gebruik.

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gebruiken

gebruik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebruiken
    Ik gebruik.
  2. gebiedende wijs van gebruiken
    Gebruik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebruiken
    Gebruik je?

Meer informatie