vrucht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrucht
enkelvoud meervoud
naamwoord vrucht vruchten
verkleinwoord vruchtje vruchtjes

Zelfstandig naamwoord

vrucht v

  1. (plantkunde) volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant
    • De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt. 
  2. ongeboren jong van een dier of mens
    • De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • aan de vruchten (her)kent men de boom
    • hoe iemand is kan men zien aan hoe hij zich gedraagt
  • ook de beste boom geeft slechte vruchten
    • ook de beste ouders kunnen kinderen hebben die het slechte pad opgaan
  • op dezelfde stam groeien verschillende vruchten
    • kinderen met dezelfde ouders kunnen toch veel van elkaar verschillen
  • verboden vruchten zijn de zoetste
    • verboden dingen zijn vaak het aantrekkelijkst
Uitdrukkingen en gezegden
  • ergens de vruchten van plukken
    • uit iets waar men een tijdlang aan gewerkt heeft zijn voordeel halen
  • van de verboden vrucht eten
    • iets doen dat niet mag
  • zijn vruchten afwerpen
    • succesvol zijn
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie