brak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Brakken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brak
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
  • In de betekenis van ‘zilt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord brak brakken
verkleinwoord brakje brakjes

Zelfstandig naamwoord

brak m

  1. een jachthond die gebruikt wordt voor de jacht op lopend wild
    • Er zijn verschillende hondenrassen die als brakken gebruikt worden. 
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen brak brakker brakst
verbogen brakke brakkere brakste
partitief braks brakkers -

Bijvoeglijk naamwoord

brak

  1. met een zoutgehalte dat tussen zout en zoet in ligt
    • Die sloot bestaat uit brak water. 
  2. braak liggend
    • De brakke grond kon worden gebruikt om huizen op te bouwen. 
  3. (informeel) onprettig voelend, flauw, met een kater
    • Ik heb gisteren teveel gedronken en voel me nu brak. 

Werkwoord

vervoeging van
breken

brak

  1. enkelvoud verleden tijd van breken
    • Ik brak. 
    • Jij brak. 
    • Hij, zij, het brak. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen