breuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • breuk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het breken, barst’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord breuk breuken
verkleinwoord breukje breukjes

Zelfstandig naamwoord

breuk v/m

  1. (wiskunde) de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
    • Irrationale getallen zoals pi zijn geen breuk en kunnen ook niet als breuk geschreven worden 
  2. een gebroken gedeelte van een object
    • Je kon heel goed de randen van de breuk voelen. 
Synoniemen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • zich een breuk lachen
heel erg lachen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord breuk breuke

Zelfstandig naamwoord

breuk

  1. breuk