schipbreuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schip·breuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schipbreuk schipbreuken
verkleinwoord schipbreukje schipbreukjes

Zelfstandig naamwoord

schipbreuk v/m

  1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
    • De Poolse vloot leed schipbreuk. 
  2. (figuurlijk) falen, mislukking, ondergang
    • Schipbreuk van de beschaving. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be